Hervonden schatten

De Stichting Vrienden van Oud Heukelum heeft een aantal interessante en historisch waardevolle voorwerpen in haar bezit. Onlangs hebben we deze opgediept uit de spullen die nagelaten zijn door het eerste bestuur van de stichting, dat aantrad in 1974. Deze voorwerpen worden hieronder beschreven (werk in uitvoering).

De huwelijksbeker van Simon van der Stel en Maria Antonia van Rouveroy

Beschrijving

Een van de meest waardevolle vondsten is een zilveren kelk met deksel. De kelk is voorzien van een ring en van binnen verguld. Een merk onder de voet vermeldt Gorinchem 1780. Het deksel heeft een knop waarvan het bovenste deel helaas is afgebroken.

De beker heeft twee inscripties. In het bovenste deel staat:

Toen Heukelums Heer nu vijftig Jaar // met Sijne Gaade hadt moogen leven // Werd ik door dit Gezeegend Paar // Der Stads Reegeeringe gegeven // Vergeet niet aan dit veest genoeglijk te gedenken // Als gij op Heuklums Heil mij boorde vol sult schenken // 1780

Daarnaast staan twee wapens, onderling verbonden en bekroond door een zandloper en twee harten met “50”. Onder de ring staat in een ander lettertype:

Den Hoog ED Heer SIMON van der Stel // Heere per steede en Baronie Heukelum en Lyenberg // EN Vrouwe MARIA ANTONIA van ROUVEROY // in den EGT vereenigt den 7 MAART // 1730

Uit deze inscripties blijkt dat Simon van der Stel, Heer van Heukelum, en zijn vrouw Maria van Rouveroy de zilveren beker in 1780 aan het stadsbestuur schonken ter gelegenheid van hun gouden huwelijk. De beker is in datzelfde jaar gemaakt door Gijsbert Metman (1758-1802) in Gorinchem.

De beker is o.a. beschreven is door C.L. van Groningen in haar boek “De Vijfheerenlanden, met Asperen, Heukelum en Spijk”. Zij vermelde daarbij dat de beker bewaard werd “op het raadhuis uit 1964”. Vermoedelijk is, na het opgaan van Heukelum in de gemeente Lingewaal op 1 januari 1986 en de verhuizing van alle gemeentelijke diensten naar Asperen, de beker overgedragen aan de Stichting Vrienden van Oud Heukelum (waarschijnlijk in bruikleen, dat wordt nog uitgezocht).

De beker wordt nu bewaard op Kasteel Heukelum. Een mooie ontdekking is dat een van de wapenschilden die in de gang van het kasteel hangen, samengesteld is uit de twee wapens op de beker. Dat het rechterdeel het wapen van de familie Van Rouveroy is, was eerder niet duidelijk.

Over Simon van der Stel en Maria Antonia van Rouveroy

Simon van der Stel werd in 1701 in Amsterdam geboren. Zijn ouders waren Adriaan van der Stel en Hillegonda Cranendonck. Hij vestigde zich later in Leiden. Simon was vernoemd naar zijn beroemde grootvader Simon van der Stel (1639-1712), de eerste gouverneur van Kaap de Goede Hoop.

Maria Antonia van Rouveroy werd geboren op 18 april 1708 in Leiden. Haar ouders waren de predikant Johannis van Rouveroy en Barbara van Noort.

Portret van Maria Antonia van Rouveroy. Het bevindt zich op het kasteel.

Simon van der Stel en Maria Antonia van Rouveroy zijn getrouwd op 7 maart 1730 te Leiden. Zij was de tweede vrouw van Simon van der Stel. Daarvoor was hij getrouwd met Anna Jacoba van Cingelshoek (of Singelshoek) met wie hij in 1727 een dochter kreeg, genaamd Barbara Hillegonda van der Stel. Blijkbaar is Anna niet lang daarna overleden.

Simon en Maria Antonia kregen zes kinderen, van wie er drie al vroeg in hun kindertijd stierven. Hun zoon Nicolaas werd slechts 29 jaar oud; hij werd in 1763 als overleden aangegeven in Heukelum door zijn vader. Alleen Johanna Elisabeth (1737-1805) en Francois Theodorus (1742-1806) overleefden hun ouders.

In 1732 werd de Heerlijkheid Heukelum gekocht door de jongere broer van Simon, Johan van der Stel (ook wel Jan van der Stel). Hij was oud Gouverneur van Ambon, waar hij in 1708 geboren werd, en verbleef ten tijde van de koop van de Heerlijkheid in Amsterdam.

Het kasteel was in het rampjaar 1672 verwoest door de troepen van Lodewijk XIV. Toen Johan van der Stel het kocht, stonden er alleen nog de oude vervallen poorttoren (donjon) en een schuur. Tegen de poorttoren liet Johan een voor die tijd modern dubbel Amsterdams grachtenhuis bouwen.

Toen het kasteel opnieuw opgetrokken was, betrok Johan het waarschijnlijk meteen: hij werd in 1738 als lidmaat van de Heukelumse kerk ingeschreven. Zijn eerste echtgenote, Clara Hillegonda Graafland (1706-1736) was toen al overleden. Johan hertrouwde in 1742 met Hedwig Ulrica de Geer. Zij overleed al een jaar daarna, zodat Johan binnen korte tijd alweer weduwnaar was.

Toen Johan van der Stel in 1758 overleed, liet hij geen kinderen na. De Heerlijkheid kwam daardoor in handen van zijn broer Simon. Of die meteen in Heukelum ging wonen, is niet duidelijk. Pas in 1768 wordt het gezin Van der Stel (vader, moeder en de twee nog levende kinderen) vanuit Leiden ingeschreven bij de kerk in Heukelum.

Tijdens het bestuur van Simon van der Stel maakte Heukelum een moeilijke periode door, die nog werd verergerd door de grote brand van 1772. Hierbij gingen een derde van de huizen en de kerktoren in vlammen op en de bevolking verviel in grote armoede. Simon van de Stel wordt genoemd in het gedicht op de gedenksteen van het molenaarshuis, dat hij liet herbouwen en dat eigendom was van de Heerlijkheid. Het molenaarshuis is inmiddels afgebroken en de gedenksteen ligt nu in de kerk van Heukelum.

Na de dood van Simon op 23 april 1785 bleef zijn vrouw op het kasteel wonen. Zij overleefde hem echter niet lang en stierf in 1786. De twee overgebleven kinderen, Johanna Elisabeth en Francois Theodorus, zijn in de loop van 1787 naar Leiden vertrokken. Zij verkochten de Heerlijkheid in 1788 aan de familie van Gennep. Deze deden huis en Heerlijkheid op hun beurt in 1813 over aan Jonkheer Fabricius. Johanna Elisabeth en Francois Theodorus zijn in 1805 en 1806 overleden in Delft.

Bronnen

De sabel van de veldwachter

Een van de objecten in het bezit van de Stichting Vrienden van Oud Heukelum is een antieke veldwachtsabel. Deze wordt nu bewaard op Kasteel Heukelum.
Vermoedelijk hebben de opeenvolgende veldwachters van Heukelum het wapen vanaf het eind van de 19e eeuw tot halverwege de 20ste eeuw gedragen.

De sabel heeft een leren schede. De greep is gemaakt van tombak (ook wel als tombac of tambac gespeld), een legering die ten minste voor 70% uit koper bestaat en 5-20% zink bevat en verder andere metalen zoals tin, lood en/of arseen. Het roest niet, glanst en kan gemakkelijk bewerkt worden.

Veldwacht- en politiesabels

De sabel vormde van 1813 tot 1970 onderdeel van de politie-uitrusting. De politie en de veldwacht hebben veel soorten en modellen sabels gebruikt. Veel politiekorpsen hadden een eigen type sabel. Daarnaast werden ook wel de standaard sabels van het leger gebruikt. Soms werd het gemeentewapen in de kling gezet. De politie droeg de sabel meestal aan de sabelkoppel aan het uniform. Maar ook kwam het voor dat de sabel aan de fiets was gemonteerd in een speciale houder.

Hetzelfde model sabel als die uit Heukelum werd bijvoorbeeld gebruikt in Deurne. Op het internet was daarvan deze foto te vinden:

De sabelsteek-affaire en het einde van de sabel als politiewapen

Op 2 januari 1961 braken in Den Haag rellen uit bij een kerstboomverbranding. Agenten dreven met de sabel een menigte jongeren uiteen en achtervolgden hen. Een 16-jarige scholier zakte ineen: een sabelsteek in zijn rug had de hartslagader doorboord en de jongen stierf ter plekke. Deze zaak leidde tot een modificatie van de politiesabels en wijziging van de geweldsinstructie voor de politie. De modificatie bestond uit het stomp maken van de punt en snede van de sabelklingen. Bij het uiteendrijven van ordeverstoorders mocht voortaan slechts met het plat van de sabelkling geslagen worden, bij voorkeur op armen en benen. Slagen op het hoofd waren enkel in geval van uiterste zelfverdediging in een noodweersituatie toegestaan.

In 1968 werd de sabel als wapen bij de politie afgeschaft. Sabels worden alleen nog gedragen als onderdeel van het ceremoniële tenue bij de marechaussee.

De Veldwacht

Het fenomeen ‘veldwachter’ werd in de Franse tijd in 1811 geïntroduceerd, net als in Frankrijk. Veldwachters moesten de orde handhaven in en om dorpen en kleine stadjes op het platteland. Grotere plaatsen hadden een eigen politiekorps.

Veldwachters hadden vaak weinig opleiding gehad en werden slecht betaald, hoewel het beroep veel inzet vergde. Zij verrichtten hun diensten per fiets of te voet. Hun veldtaak oefenden ze vaak uit samen met de boswachters, die meestal onbezoldigd waren. Iemand arresteren (bijvoorbeeld een stroper) was geen kleinigheid en daarvoor moesten ze minstens met z’n tweeën zijn. Vanwege de lage verdiensten hadden veldwachters binnen de gemeenschap vaak nog een paar andere functies.

Bij het publiek kregen veldwachters bekendheid door de jeugdboeken over Dik Trom (eind 19de eeuw) en De Kameleon (2de helft 20ste eeuw). Het bekendst werd veldwachter Bromsnor, die werd gespeeld door Lou Geels in de televisieserie Swiebertje (1961 – 1975).

Bij Koninklijk Besluit van 11 november 1856 werd de Rijksveldwacht ingesteld naast de gemeentelijke veldwacht, met als taak om zo veel mogelijk de openbare orde en veiligheid te handhaven voor personen en goederen, maar dan wel voornamelijk op het platteland. Tot 1931 had de rijksveldwachter eigen bevoegdheden, maar in 1931 kwam hij onder de rijkspolitie te staan.

Op 1 december 1942 nam de Duitse bezetter alle politietaken over. De Rijksveldwacht werd opgenomen in de Marechaussee. Na de oorlog besloot de overheid een nieuwe politieorganisatie op te richten. In kleinere gemeenten werd dat het Korps Rijkspolitie. In 1994 werd er gereorganiseerd in 25 regionale korpsen plus het Korps Landelijke Politiedienst. Dit duurde tot 2013, daarna ontstond er één grote organisatie.

Heukelumse veldwachters

In het boek van Bertus de Groot, Heukelum – hoogte in water en vuur, worden opeenvolgende Heukelumse veldwachters genoemd. De meest bekende zijn wel Gijsbert Lakerveld (gemeentelijk veldwachter) en Arend Zeemering (Rijksveldwachter).

Veldwachter Lakerveld, als zodanig actief in de periode 1909 – 1950, is onder andere bekend uit de Heukelumse Krakelingenserie van Rie van Hoogdalem. Hij had heel wat te stellen met Joep Magree (van Joep en Dit), die het niet zo nauw nam met wet- en regelgeving. Lakerveld was behalve gemeentelijk veldwachter ook bode van de gemeente, de polder en het Gasthuisfonds. In 1930 was hij een van de oprichters van de voetbalvereniging VV Heukelum.

Waarschijnlijk heeft Lakerveld ook de Heukelumse veldwachtsabel gedragen, maar helaas is daar geen foto van te vinden.

Helemaal rechts veldwachter Gijsbert Lakerveld in uniform, links zijn vrouw Rie Lakerveld. Op de kar vlnr Rie Lakerveld, Ort de Groot, Piet de Groot, Co Lakerveld en Jo Kemperman. (Foto Heukelum in Beeld)

De aftrap op het nieuwe veld van VV Heukelum tijdens de openingswedstrijd in 1930 werd verricht door rentmeester Post. Te zien: Flip Olivier (speler links), rentmeester Job Post (man in grijze pak nabij middenstip), mevrouw Post (met bos bloemen), Gijsbert Lakerveld met zijn hond en Henk van Beusekom (speler rechts). (Foto VV Heukelum)

In juli 1939 treedt Arend Zeemering in dienst bij de Rijksveldwacht. Zijn eerste standplaats is Soestdijk, gevolgd in 1941 door Kinderdijk en Groot Ammers. In 1942 (inmiddels is het personeel van de Rijksveldwacht door de Duitsers ondergebracht bij de Marechaussee) wordt Zeemering overgeplaatst naar Alblasserdam. In maart 1943 wordt hij opperwachtmeester In Heukelum.

Als politiemensen doen Lakerveld en Zeemering in de oorlog wat ze moeten doen, maar als personen zich verdacht gedragen vanuit het oogpunt van de bezetters, kijken zij de andere kant op en treden niet op.

In de zomer van 1943 wordt Zeemering benaderd door jachtopziener Evert Nool, commandant van de plaatselijke verzetsgroep (de illegale “ordedienst” OD). Voor deze organisatie verzamelt Zeemering inlichtingen en geeft hij instructie in het gebruik van explosieven. Ook werkt hij samen met mensen van de onderduikorganisatie in Heukelum.

De verzetsgroep wordt verraden door een infiltrant, Pieter Lahnstein (“Kleine Piet”), die ondergebracht was bij de familie Zeemering. Op 25 januari 1945 worden Arend Zeemering, Evert Nool en Marinus Visser gearresteerd en naar Utrecht afgevoerd. Op 31 maart zijn ze in Fort De Bilt gefusilleerd. Na de bevrijding zijn ze met veel eerbetoon in Heukelum samen herbegraven in het oorlogsgraf bij de NH Kerk.

Bronnen